de vochtige laaglanden van Zuidoost-Aziƫ. Het verspreidingsgebied omvat het Maleis schiereiland, Sumatra en diverse omliggende eilanden. In tegenstelling tot veel andere pythons die graag in bomen klimmen, is dit een uitgesproken bodembewoner. Ze geven de voorkeur aan moerassige gebieden, oevers van rivieren en vochtige regenwouden, maar ze hebben zich ook verrassend goed aangepast aan door de mens aangelegde oliepalmplantages. Hier vinden ze een overvloed aan knaagdieren, wat hen tot een nuttige, maar vaak misbegrepen bewoner van het cultuurlandschap maakt.
Wat betreft de herkenbaarheid is deze slang een van de meest spectaculair gekleurde wurgslangen ter wereld. Het lichaam is extreem gedrongen en krachtig gebouwd, met een relatief korte staart. De basiskleur varieert van helder bloedrood tot diep baksteenrood of bruinrood, onderbroken door onregelmatige grijze, zwarte of beige vlekken langs de flanken en de rug. Een zeer specifiek kenmerk is de kop, die vaak een lichtere, grijze tot zilverachtige kleur heeft met een donkere streep die van de snuit naar de nek loopt. Hun schubben hebben een iriserende glans, waardoor de slang in het zonlicht een bijna metaalachtige gloed over zijn rode patronen krijgt.
In vergelijking met de nauwverwante korthartpython (Python curtus) en de Borneobloedpython (Python breitensteini), wordt de Python brongersmai over het algemeen het grootst en vertoont hij de meest intense rode kleuren. Waar de korthartpython uit West-Sumatra vaak bijna zwart of donkergrijs is, mist deze de levendige rode pigmenten van de roodbloedpython. Het verschil met de netpython, die in hetzelfde gebied voorkomt, is direct duidelijk door de lichaamsbouw; de roodbloedpython is kort en zeer dik, terwijl de netpython extreem lang en relatief slank is. Bovendien zijn de warmtegevoelige groeven (labiaalorganen) bij de roodbloedpython zeer geprononceerd aanwezig op de bovenlip.
De huidige status van de roodbloedpython wordt door de IUCN geclassificeerd als 'Niet Bedreigd' (Least Concern). Hoewel de soort lokaal algemeen voorkomt, staat de populatie onder constante druk door de grootschalige handel in huiden voor de lederindustrie. Jaarlijks worden honderdduizenden exemplaren gedood voor hun uniek getekende huid. Daarnaast worden ze veelvuldig gevangen voor de internationale handel in exotische huisdieren. Hoewel de soort zich goed handhaaft in secundaire bossen en plantages, blijft een strikte monitoring van de exportquota essentieel om te voorkomen dat de wilde populaties in de toekomst alsnog in gevaar komen.
Deze soort heb ik het laatst in Tierpark Berlin gezien en gefotografeerd op 17-03-2026.
Deze soort heb ik gezien in Tierpark Berlin