De roodbuikmaki, wetenschappelijk bekend als Eulemur rubriventer, vindt zijn oorsprong in de vochtige regenwouden langs de gehele oostkust van Madagaskar. Het verspreidingsgebied strekt zich uit van het uiterste noorden tot diep in het zuiden van het eiland, waarbij ze een voorkeur hebben voor onaangetaste primaire bossen op zowel gemiddelde als grote hoogtes. In tegenstelling tot veel andere maki's die in grote groepen leven, houdt de roodbuikmaki er een meer ingetogen sociale structuur op na; ze leven meestal in kleine, monogame familiegroepen bestaande uit een ouderpaar en hun nakomelingen.
Wat betreft de herkenbaarheid is de roodbuikmaki een middelgrote halfaap met een dichte, zijdeachtige vacht. Bij deze soort is er sprake van duidelijk seksueel dichromatisme. De mannetjes zijn overwegend kastanjebruin met een opvallende, dieprode tint op hun buik en borst. Een zeer specifiek kenmerk van het mannetje zijn de witte, traanvormige vlekken rond de ogen, die scherp afsteken tegen hun donkere gezicht en hen een bijna 'gebrild' uiterlijk geven. De vrouwtjes hebben een vergelijkbare bruine rug, maar hun buik en borst zijn lichter, variƫrend van roomwit tot zachtgeel, en zij missen de opvallende witte oogvlekken van de mannetjes.
In vergelijking met andere soorten uit het geslacht Eulemur, zoals de roodkraagmaki, is de roodbuikmaki slanker gebouwd en heeft hij een langere, meer vosachtige snuit. Waar de roodkraagmaki bekend staat om zijn uitbundige bakkenbaarden, is de koptekening van de roodbuikmaki veel subtieler. Het verschil met de bruine maki (Eulemur fulvus) zit hem vooral in de rode gloed van de vacht en de unieke witte oogvlekken bij de mannetjes. Bovendien is de roodbuikmaki een van de weinige maki-soorten waarbij het mannetje actief betrokken is bij de zorg voor de jongen, die hij vaak op zijn rug meedraagt.
De huidige status van de roodbuikmaki is door de IUCN geclassificeerd als 'Kwetsbaar' (Vulnerable). Hoewel ze een relatief groot verspreidingsgebied hebben, is hun habitat ernstig versnipperd door illegale houtkap en de zogenaamde 'slash-and-burn' landbouw. De soort is bovendien erg gevoelig voor verstoringen; ze gedijen alleen in bossen van hoge kwaliteit met een rijke variƫteit aan vruchtdragende bomen. Omdat ze een lage voortplantingssnelheid hebben en hun leefgebied steeds verder inkrimpt, zijn beschermde gebieden zoals het Nationaal Park Ranomafana essentieel voor hun voortbestaan.
Deze soort heb ik het laatst in Tierpark Berlin gezien en gefotografeerd op 17-03-2026.
Deze soort heb ik gezien in Tierpark Berlin